Hydromorfologische kwaliteit
Toestand en grafieken
In het kort
- Hydromorfologie is de benaming voor de structuurkwaliteit van een waterloop. Het is een samenvoeging van ‘Hydro’ (water) en ‘Morfologie’ (vorm). Dit kwaliteitselement beschrijft dus de structuur en vorm van een waterlichaam en de manier waarop een goede waterhuishouding hier effect op heeft.
- Het merendeel van de waterlichamen in Vlaanderen heeft een matige hydromorfologische kwaliteit.
Een waterlichaam met een natuurlijke hydromorfologie of structuurkwaliteit biedt een grote variatie aan biotopen en dus meer mogelijkheden voor biodiversiteit. Binnen gezonde waterlopen zijn er actieve processen aan de gang die zorgen voor een dynamische, heterogene waterloop die kan meanderen, overstromen, sediment kan transporteren en afzetten ... Een goede hydromorfologische kwaliteit is dan ook essentieel voor het voorkomen van de fauna en flora in onze waterlopen. Bovendien verhoogt een goede hydromorfologische kwaliteit het zelfzuiverend vermogen van de waterloop en dus ook de algemene waterkwaliteit.
De hydromorfologie is een ondersteunend kwaliteitselement bij de beoordeling van de ecologische kwaliteit. Er bestaat geen specifieke doelstelling voor de hydromorfologie, maar ze wordt wel in rekening gebracht om het onderscheid te maken tussen een goede en een zeer goede ecologische toestand.
In uitvoering van de Kaderrichtlijn water is er een beoordelingskader hydromorfologie opgesteld dat toegepast wordt op alle Vlaamse en lokale eerste orde waterlopen die niet onder invloed zijn van getijden. Het beoordelingskader is afgestemd op wat biologisch nodig is voor de goede ecologische toestand, die dan weer overeenkomt met een natuurlijk functionerend waterlichaam. Waterlopen die significant gewijzigd zijn in functie van een maatschappelijk nut of kunstmatige waterlopen hebben soms niet de mogelijkheid om aan alle vereisten van de goede ecologische toestand te voldoen. Hiermee wordt rekening gehouden bij de beoordeling, die dan afgestemd wordt op wat wel haalbaar zou moeten zijn. In die gevallen wordt dus rekening gehouden met het zogenaamde “goed ecologisch potentieel” (=GEP).
